Welke slagen heb je nodig bij tennis?
Tennis kent acht slagen: de service, de return, de forehand, de backhand, de volley, de smash, de slice en de lob. De eerste maanden gebruik je er vooral vier: service, return, forehand en backhand. De rest komt vanzelf als de baan groter voor je gaat aanvoelen.

De eerste twee slagen van elk punt
De service is de enige slag die je helemaal zelf bepaalt, en je hebt er twee kansen voor. De return is het antwoord van de ontvanger: de bal terug in het spel, liefst diep, zodat het punt pas echt begint.
Forehand en backhand, je basisslagen
De forehand is voor de meeste spelers de krachtigste en natuurlijkste slag, aan de kant van je slaghand. De backhand dekt de andere kant af, met een of twee handen. Hiermee win je op clubniveau de meeste rally's.
Volley en smash: het punt vooraan afmaken
De volley sla je uit de lucht, meestal bij het net, om het punt kort te houden en druk te zetten. De smash is de slag op een hoge bal, meestal een lob van de tegenstander, waarmee je het punt afmaakt.
Slice en lob: de twee variaties
Bij een slice snijd je onderlangs de bal, die daardoor laag blijft: veilig op lage ballen en op een snelle service die je alleen terug in het spel wilt hebben. De lob is een hoge bal over de tegenstander bij het net heen, om hem weg te jagen en zelf tijd te winnen.
Wat de cursus toevoegt
Deze pagina noemt de acht slagen; de cursus laat zien hóe je ze slaat, met de grip, de klaarstand, de split step en tien video's van de KNLTB bij de service, de forehand, de backhand, de volley, de smash en de dropshot.